Begrippen van een game model
173 begrippen die trainers gebruiken om een game model te beschrijven. Elk woord heeft één betekenis, zodat spelers en staf dezelfde taal spreken. Wat elke coach zelf kiest, staat er apart bij.
Het model
Game model
Het geheel van filosofie, kernideeën en principes dat beschrijft hoe een ploeg in elke fase wil spelen. Een werkinstrument dat meegroeit, nooit af.
Let op: Niet hetzelfde als een spelsysteem (4-3-3, 3-5-2): dezelfde principes kunnen in verschillende systemen.
Filosofie
Wat een ploeg wil zijn, met en zonder bal, en waarom. Het vertrekpunt van het model: kernideeën en principes volgen eruit.
Let op: Geen opsomming van principes.
Kernidee
Een korte, vaste gedachte die over alle fases heen geldt en waaruit principes in meer dan één fase volgen. Bijvoorbeeld: „Eerst vooruit verdedigen, daarna organiseren.”
Fase
Een van de zes fases van het model: balbezit (B+), balverlies (B−), omschakeling naar aanval (B−→B+), omschakeling naar verdediging (B+→B−), stilstaande fases voor (SF+) en stilstaande fases tegen (SF−).
Let op: Enkel voor deze zes. Opbouw, progressie en afwerking zijn geen fases.
Hoofdprincipe
Een collectief gedragspatroon van de hele ploeg in één fase. Het geeft de ploeg haar identiteit en verandert niet per tegenstander.
Subprincipe
De uitwerking van een hoofdprincipe voor een linie, twee linies of een groep spelers, soms in een bepaalde zone.
Gedragsregel
Wat een individuele speler doet binnen een subprincipe en een hoofdprincipe.
Coachingswoord
Een kort, vast woord of zinnetje waarmee de coach op het veld een gedragsregel oproept.
Schalen van het team
Wie een principe uitvoert: de hele ploeg, twee linies, één linie, een groep spelers dicht bij elkaar, of één speler.
Game plan
De tactische bedoelingen voor één wedstrijd, afgestemd op de tegenstander.
Spelsysteem
De basisverdeling van de spelers over het veld. Binnen een fase mag de vorm veranderen, zolang de principes kloppen.
Zelf te kiezen: Vanuit welk systeem speel je, en verandert de vorm in een fase?
Zelforganisatie
Het vermogen van een ploeg om zich in een fase snel en zonder aanwijzing van de bank te organiseren. Het game model geeft de afspraken waarmee dat lukt.
Orde en wanorde
Het spel wisselt voortdurend tussen georganiseerde en ongeorganiseerde momenten. Wie zich het snelst opnieuw organiseert, of het snelst toeslaat tegen een ploeg in wanorde, heeft het voordeel.
Spelbedoeling
Wat een ploeg op een bepaald moment wil bereiken: met de bal veiligstellen, opbouwen en vooruit spelen, kansen maken en afwerken; zonder de bal het doel beschermen, de ruimte afsluiten, druk zetten en heroveren.
Aanvaller 1 en 2, verdediger 1 en 2 (A1, A2, V1, V2)
De speler met de bal is de eerste aanvaller, de aanvallers zonder bal zijn de tweede aanvallers; de verdediger die de baldrager aanpakt is de eerste verdediger, wie dekt of ruimte bewaakt de tweede.
Veld en zones
Veldindeling
Vijf stroken van doel tot doel (flank, halfspace, centrum, halfspace, flank) en drie zones van zijlijn tot zijlijn (opbouwzone, middenzone, aanvalszone). Zones hebben een naam, geen nummer.
Halfspace (HF)
De strook tussen het centrum en de flank, één aan elke kant. In balbezit zoek je er ruimte met opties naar binnen en naar buiten; in balverlies sluit je ze af.
Zone 14
De naam voor de centrale zone net vóór de zestien, tussen de linies van de tegenstander. Van hieruit komt het meeste doelgevaar.
Let op: Een naam, geen nummer uit een veldindeling.
Waarheidszone
De laatste zone vóór doel: aanvallend waar je kansen maakt, verdedigend waar je ze verhindert.
Tussen de linies
De ruimte tussen twee linies van de tegenstander, waar een speler aanspeelbaar is achter de voorste linie.
Assistzone
De zak naast de zestien, van de achterlijn tot de rand van het strafschopgebied. Daar moet de subtiele eindpas aankomen; van daaruit vertrekt de assist.
Vertrekzone
De zone vóór de rand van de zestien waar de subtiele eindpas richting de assistzone vertrekt.
Eerste en tweede zone
De zones vóór doel waar een voorzet aankomt: de eerste zone aan de eerste paal, voor een harde, lage bal; de tweede zone verder, richting de tweede paal, voor een chip of een verre bal.
Zwakke kant
De balverre kant van het eigen blok.
Zwakke zone
Een zone van de tegenstander die je aanvalt omdat hij daar kwetsbaar is.
Balzone
Het gebied rond de bal, waar de ploeg overtal, druk en compactheid organiseert.
Balbezit
Restverdediging
De spelers die in balbezit achter de bal blijven om bij balverlies de tegenaanval op te vangen.
Zelf te kiezen: Hoeveel spelers blijven achter de bal, en wie?
Structurele restverdediging
De vaste bezetting achter de bal tijdens balbezit. Een speler sluit pas aan als er genoeg dekking achter de bal blijft.
Dynamische restverdediging
Wanneer de bal van kant verandert, kunnen andere spelers in de restverdediging zakken, en kunnen anderen dan hoger meedoen in balbezit.
Offensive marking
Positie kiezen in balbezit door de spelers die niet rechtstreeks betrokken zijn bij de eerste combinatie: zo dat ze bij balverlies heel snel hun dichtste tegenstander kunnen dekken, en toch aanspeelbaar blijven.
Let op: Druk op de bal ná balverlies is counterpress, geen offensive marking.
Derde man
Een combinatie waarbij de bal via een tussenspeler bij een derde speler komt die buiten de druk vrijloopt. De derde man start zijn loop op het moment van de eerste pas.
Vrije man
Een speler die de bal kan ontvangen zonder directe druk, vaak achter de eerste druklijn, en meteen vooruit kan.
Let op: De vrije zone is de ruimte, de vrije man de speler.
Aanspeelbaarheid
Iedereen stelt zich zo op dat hij binnen hoogstens drie passen aanspeelbaar is.
Positionele superioriteit
Voordeel door waar spelers staan: elke zone heeft een functie en een bezetting, en spelers bewegen functioneel binnen die structuur.
Numerieke superioriteit
Meer spelers dan de tegenstander rond de bal.
Zelf te kiezen: Speelt je keeper mee als extra speler in de opbouw?
Circulatie en progressie
Circulatie: de bal zij- of achterwaarts laten rondgaan om het blok te verplaatsen. Progressie: de bal vooruit brengen door een linie te breken.
Zelf te kiezen: Wat gaat voor: eerst vooruit, of eerst circuleren?
Linie breken
Met een pas of een loopactie voorbij een linie van de tegenstander komen.
Verticaliteit
Voorkeur voor de voorwaartse, diepe oplossing boven breed of achteruit spelen.
Spel verleggen
De bal naar de andere kant van het veld brengen, vaak met een lange diagonale bal.
Overlap en underlap
Een speler loopt buitenom (overlap) of binnendoor (underlap) voorbij de baldrager.
Eén-twee
Kaatsen met één medespeler en doorlopen om de bal terug te krijgen.
Steunhoek
De positie van een ondersteunende speler tegenover de baldrager, zo dat die een pashoek heeft.
Scannen
Rondkijken vóór de balontvangst om ruimte, medespelers en tegenstanders in te schatten.
Open lichaamshouding
Bij de ontvangst zo gedraaid staan dat je voor- en achterwaarts ziet en meteen vooruit kunt.
Wegdraaien
Met een tegenstander in de rug de bal aannemen, afschermen en wegdraaien richting doel.
Lokken
De tegenstander bewust naar de bal of naar één kant trekken om elders ruimte of een vrije man te maken.
Cutback
Een lage, harde teruggelegde bal vanaf de achterlijn of de hoek van de zestien naar opkomende medespelers.
Subtiele eindpas
Een getimede pas in de rug van de verdedigers naar een lopende medespeler: laag, gechipt of na een schijnbeweging.
Veld groot maken
In balbezit maximale breedte en diepte houden, zodat de tegenstander in de breedte en in de lengte moet verdedigen.
Vooractie
Een korte beweging vóór de eigenlijke loop of aanname, om de verdediger één kant op te lokken.
Rotatie
Spelers wisselen tijdelijk van positie om vrij te komen of ruimte te maken. De wissel is leesbaar voor medespelers en heeft een doel.
Zelf te kiezen: Welke rotaties wil je, en wie bewaakt intussen de restverdediging?
Dieptepas
Een pas in de ruimte achter de verdediging, naar een medespeler die al loopt: hard genoeg dat de verdediger er niet bij kan, zacht genoeg dat de ontvanger hem meeneemt.
Rond, door of over
De drie manieren om voorbij een linie van de tegenstander te komen: eromheen, erdoor of eroverheen spelen.
Aanbieden
Een bewuste actie vóór de pas om aanspeelbaar te worden: een signaal, een andere lichaamshouding of een loopactie.
Beweging om te ontvangen
De loopactie vóór een speler de bal krijgt, benoemd naar waar hij ontvangt (vóór de eerste linie, tussen twee linies, in de rug van de laatste linie) en naar de richting (van binnen naar buiten het blok of omgekeerd).
Komen en gaan
Eerst kort naar het eigen doel bewegen, dan in één vloeiende beweging draaien en in de rug van de laatste linie lopen.
De lijn terugduwen
Een diepe loop die een verdediger meeneemt, zodat de laatste linie zakt en er vóór die linie ruimte ontstaat.
Balprogressie
Met de bal aan de voet bewust een of meer tegenstanders voorbijgaan, in de ruimte of rechtstreeks voorbij een tegenstander.
Balverlies
Vooruit verdedigen
De ruimte vóór je verdedigen: druk zetten voor de tegenstander kan draaien. Terugvallen is een bewuste keuze, geen automatisme.
Hoog blok
Het blok staat in het derde van de tegenstander; de eerste druklijn zet druk op zijn opbouw.
Zelf te kiezen: Welke blokhoogtes speel je, en wanneer kies je welke?
Middenblok
Het blok staat in het middelste derde; de eerste druklijn rond de middellijn.
Laag blok
Het blok staat in het eigen derde, dicht bij de eigen zestien, met de linies samengevoegd.
Central trap
Een pressingval: de centrale aanspeellijn bewust open laten, de tegenstander naar binnen lokken en toeslaan zodra de bal centraal aankomt.
Zelf te kiezen: Bij welke blokhoogte zet je de central trap?
Flank trap
Het centrum sluiten, de tegenstander naar de flank sturen en daar samen de druk versnellen. De zijlijn werkt als extra verdediger.
Zelf te kiezen: Bij welke blokhoogte zet je de flank trap?
Naar buiten dwingen
De tegenstander met je lichaamshouding naar de zijlijn of achteruit sturen, zonder frontaal duel.
Compact blok
De ploeg verdedigt als één eenheid met kleine onderlinge afstanden, in de breedte en in de diepte.
Let op: „Blok” betekent ook blokkeren bij stilstaande fases; de context maakt het duidelijk.
Zelf te kiezen: Welke afstanden houd je tussen de linies en tussen de spelers?
Schuiven en kantelen
Het blok beweegt als één geheel mee naar de balkant.
Knijpen
De buitenste speler aan de balverre kant schuift naar het centrum, met behoud van de onderlinge afstanden.
Rugdekking
Een tweede speler dekt de ruimte achter de speler die druk zet.
Doordekken
Een tegenstander volgen tot buiten je eigen linie of zone.
Remmend wijken
Terugwijken zonder duel om tijd te winnen tot de dekking er is, vooral in ondertal.
Let op: Niet hetzelfde als vertragen: dat is het tempo van de eigen balcirculatie.
Pressingtrigger
Een signaal om samen druk te zetten: een slechte controle, een lange bal, een pas naar de flank, een tegenstander met de rug naar doel.
Gedekte en ongedekte bal
Gedekt: de baldrager staat onder druk of met de rug naar je doel; de verdediging schuift op. Ongedekt: hij staat vrij, kijkt naar je doel en er is ruimte achter je lijn; de verdediging zakt.
Split vision
Bal en directe tegenstander tegelijk in het blikveld houden.
Positieve en negatieve druk
Positieve druk: voorwaarts druk zetten. Negatieve druk: druk van een speler in de rug van de tegenstander, richting het eigen doel, om hem op te sluiten en onder druk te zetten.
Ondertal
Minder spelers dan de tegenstander in een zone of situatie.
Tijd winnen
Lukt heroveren niet meteen, dan houdt de ploeg de aanval van de tegenstander op, zodat ze zich kan organiseren.
Sluit de linie
Verlaat een speler zijn linie om druk te zetten, dan sluit de naaste ploegmaat meteen het gat, zodat de linie dicht blijft.
Druk verhogen
Op een signaal samen dichter en sneller op de bal en de pasopties komen, zodat de tegenstander geen tijd meer heeft.
Tussen man en doel
De verdediger staat tussen zijn man en het eigen doel, iets naar de balkant, zodat hij bal en man tegelijk ziet.
Balans (verdedigend)
De verdediger die ver van de bal de ruimte aan de andere kant bewaakt, naast de drukzetter en de rugdekking.
Doorschuiven op de ontvanger
Al druk zetten op een speler voor hij de bal krijgt, omdat je de pas ziet aankomen.
Directe en indirecte druk
Direct: een tegenstander betwist de bal. Indirect: een tegenstander stuurt de richting van de pas of de dribbel zonder de bal te betwisten, bv. door een paslijn af te sluiten. Zonder druk kan de baldrager alle kanten op.
Omschakelingen
Omschakeling
Het moment direct na balwinst of balverlies, zolang de tegenstander of de eigen ploeg nog niet georganiseerd staat.
Let op: Een counter is een keuze binnen de omschakeling, niet de omschakeling zelf.
Zelf te kiezen: Hoe snel wil je na balwinst tot een kans komen, en wanneer kies je voor veiligheid?
Counterpress
Na balverlies onmiddellijk en samen druk zetten op de bal, om hem dicht bij de plek van balverlies terug te winnen.
Zelf te kiezen: Hoe lang zet je door vóór je terugvalt? In de bronnen: 5 à 6 seconden, of een eerste actie binnen 1 seconde.
Herstelsprint
Na balverlies via de kortste lijn terugsprinten naar de ruimte tussen bal en eigen doel.
Vrije zone
Een ruimte zonder tegenstander, bijvoorbeeld achter de druklijn, tussen de linies of op de flank, die na balwinst aangevallen kan worden.
Heroveren of beheersen
De keuze na balverlies: meteen samen heroveren (counterpress) of eerst de organisatie herstellen.
Zelf te kiezen: Wanneer kiest je ploeg na balverlies voor heroveren, en wanneer voor beheersen?
Versnellen of controleren
De keuze na balwinst: versnellen naar doel als de tegenstander uit balans is, of de bal veiligstellen en controleren als hij georganiseerd staat.
Zelf te kiezen: Wanneer versnelt je ploeg na balwinst, en wanneer controleert ze?
Tijdsregel bij omschakeling
Een afgesproken tijd waarin de ploeg na balverlies of balwinst een actie moet afronden, zoals heroveren of tot een kans komen.
Zelf te kiezen: Hoeveel seconden geef je je ploeg, na balverlies en na balwinst?
Losse bal
Een bal die geen van beide ploegen onder controle heeft: na een duel, een wegwerkbal, een afgeweerd schot, een blok of een slechte pas.
Stilstaande fases
Blok en screen
Een aanvaller zet zijn lichaam in de looplijn van een verdediger, zodat een medespeler vrijkomt. Vooral bij hoekschoppen en vrije trappen.
Let op: „Blok” kan ook het teamblok zijn; de context maakt het duidelijk.
Mandekking
Een toegewezen tegenstander verdedigen: tussen hem en doel staan, voeling houden en zijn looplijn sturen.
Zonedekking
Een toegewezen ruimte verdedigen, met bal en tegenstander in één blikveld.
Zelf te kiezen: Dek je bij stilstaande fases op man, op zone of gemengd?
Tweede bal
Een bal die vrijkomt na een duel, een kopbal, een blok of een afgeweerde bal.
Stilstaande fase
Elke hervatting waarbij het spel stilligt: hoekschop, vrije trap, inworp, aftrap of doeltrap. SF+ als je ploeg hervat, SF− als de tegenstander hervat.
Gemengde dekking
Zone- en mandekking samen, met afspraken over overgeven en overnemen.
Snel of opzet
De eerste keuze bij een eigen hervatting: meteen hervatten als de tegenstander niet georganiseerd is, anders de afgesproken opzet.
Zelf te kiezen: Wanneer mag je ploeg snel hervatten?
Techniek
Aanname
De eerste balcontrole bij ontvangst, weg van de druk of vooruit, zodat de volgende actie meteen kan.
Opendraaien
Bij of na de aanname naar het doel van de tegenstander draaien, zodat je het spel voor je hebt.
Balbescherming
De bal met het lichaam afschermen en het contact gebruiken om tijd te winnen.
X-block
Een keeperstechniek wanneer een aanvaller alleen op hem afkomt: dicht bij de aanvaller een been opzij uitstrekken en het lichaam groot maken om het schot te blokken.
Speler en positie
Positieprofiel
Wat een speler op een positie moet kunnen in de principes van het eigen game model, in vier rubrieken: technisch, tactisch, fysiek en mentaal.
Handelingsvaardigheid
Wat een speler in de wedstrijd doet om een gedragsregel uit te voeren: waarnemen, beslissen en uitvoeren, met of zonder bal.
Bewegingsvaardigheden
Hoe een speler beweegt, met en zonder bal: lopen, versnellen, afremmen, van richting veranderen, springen, landen en duelleren. Opgebouwd van algemeen (lopen, springen, de bal raken), over fundamenteel (houding, evenwicht, waarneming) tot specifiek (de bewegingen van een positie in een spelsituatie).
Coördinatieve vermogens
Wat bepaalt hoe vlot een speler zijn bewegingen stuurt: koppelen (bewegingen vloeiend na elkaar), differentiëren (kracht en richting doseren), reageren, in evenwicht blijven en inhiberen (een ingezette beweging op het laatste moment afbreken en iets anders doen, bv. schijnen te trappen en naar binnen gaan).
Executieve functies
De denkvaardigheden waarmee een speler informatie opneemt, verwerkt en omzet in een keuze: focus, waarneming, cognitieve flexibiliteit, inhibitie, werkgeheugen en creativiteit.
Groeispurt
De periode van de snelste lengtegroei. Ze valt bij elke speler op een ander moment, bij meisjes gemiddeld vroeger dan bij jongens. Rond de groeispurt verandert wat een speler coördinatief en fysiek aankan.
Ontwikkelings-, opleidings- en prestatieprofiel
Drie blikken op een jeugdspeler: het ontwikkelingsprofiel is waar hij nu staat (zijn sterke punten en werkpunten), het opleidingsprofiel is wat de opleiding op zijn leeftijd van hem vraagt, het prestatieprofiel is wat een positie in de eerste ploeg vraagt.
Persoonlijk actieplan (PAP)
Het plan voor één speler: welk werkpunt, hoe eraan gewerkt wordt, vanaf wanneer en tot wanneer, hoe vaak en hoe lang, wie het opvolgt en hoe de vooruitgang geëvalueerd wordt. Coach en speler maken het samen.
Spelbepaler
De speler die tempo en richting van het spel van zijn linie of ploeg bepaalt.
Zelf te kiezen: Hoeveel spelbepalers wil je, en op welke posities?
Meevoetballende keeper
Een keeper die meedoet in de opbouw als extra aanspeelpunt, en bij hoog verdedigen meeschuift om de dieptepas als eerste te bereiken.
Laatbloeier
Een speler die later rijpt dan zijn leeftijdsgenoten en daardoor tijdelijk achterstand heeft in lengte, kracht of snelheid.
Vrij spel
Voetballen zonder trainer of vaste opdracht, met vrienden op straat of op een plein.
Uitkomen (keeper)
De keeper verlaat zijn positie om de tijd en ruimte van de ontvanger of de baldrager te verkleinen.
Relatief leeftijdseffect
Het voordeel van spelers die vroeg in het selectiejaar geboren zijn tegenover hun jongere leeftijdsgenoten, bij selectie en speeltijd.
Dieptekaart
Per positie de spelers van de kern gerangschikt, om te zien waar de kern dun is.
Training
Tactische periodisering
Een trainingsmethode waarin elke training het game model traint; de fysieke belasting volgt uit de tactische inhoud.
Morfocyclus
De vaste weekstructuur tussen twee wedstrijden, waarin per dag het principeniveau, de ruimte, de duur en de belasting wisselen.
Profieltraining en posttraining
Een profieltraining is een training voor de spelers van één positie of profiel: ze vertrekt van wat het model van die positie vraagt en bouwt uit naar linie en team. Een posttraining is een kort blok na de gewone training voor enkele spelers, gekoppeld aan hun persoonlijk actieplan.
Geïntegreerd en geïsoleerd trainen
Twee uiteinden van één lijn: geïntegreerd is de echte spelsituatie met medespelers, tegenstanders en keuzes; geïsoleerd is één vaardigheid apart, zonder tegenstander. Een goede reeks beweegt heen en terug tussen beide.
Progressie en regressie
Een oefening stap voor stap moeilijker maken (meer tegenstand, minder tijd of ruimte, meer keuzes) of eenvoudiger, zodat ze past bij wat de spelers aankunnen.
Hoofdrol- en bijrolspelers
In een spelsituatie de spelers om wie het draait (bv. flankaanvaller en flankverdediger) en de spelers die hen helpen (bv. spits en aanvallende middenvelder). Bij een oefening horen daarnaast het wat, waar en wanneer.
Voetbalspecifieke periodisering
Een methode die de voetbalconditie opbouwt in voetbalvormen: beter handelen, meer handelen, en dat langer volhouden.
Rondo
Een balbezitsvorm in overtal in een kleine ruimte, zoals vier tegen twee, om aanname, steunhoek, circulatie, druk en omschakeling te trainen.
Positiespel
Een balbezitsvorm met vaste of verplichte zones, vaak met neutrale spelers, waarin de ploeg in balbezit de bal houdt en de tegenstander hem probeert te veroveren.
Kleine en grote spelvorm
Spelvormen op een verkleind veld met weinig spelers (klein) of op een groot veld met veel spelers (groot). De ruimte per speler en het aantal spelers sturen de belasting.
Transitiespel
Een spelvorm die balbezit, druk en omschakeling continu afwisselt, zodat beide omschakelingen vaak voorkomen.
Constraint
Een regel in een oefening die het gewenste gedrag vaker laat voorkomen: beperkte contacten, verplichte zones, een punt enkel na een bepaalde actie.
Deterministische oefening
Een oefening waarin alles vastligt: geen tegenstander, geen keuze en geen omschakeling.
Gridding
Het veld in vakken of zones opdelen, zodat spelers situaties sneller herkennen en wat ze trainen makkelijker meenemen naar de wedstrijd.
Joker
Een speler die telkens met de ploeg in balbezit meespeelt en zo overtal maakt.
Spelen–oefenen–spelen
Een opbouw van een training: eerst een partijvorm, dan gericht oefenen, en opnieuw een partijvorm.
Globaal–analytisch–globaal
Zoals spelen–oefenen–spelen, met een middendeel dat één vaardigheid herhaalt, vaak zonder tegenstander.
Numerieke progressie
In één training opbouwen van kleine naar grotere aantallen spelers.
Uitvergroten
Een regel of vak dat één aspect van het spel vaker laat voorkomen, zoals een breed en ondiep vak voor breedte.
Spiraalcurriculum
Een leerlijn waarin dezelfde kernthema's elk jaar terugkomen, telkens moeilijker.
Doelbewust oefenen
Gericht oefenen op een eigen werkpunt, aan de rand van wat je kan, met feedback.
Telestratie
Tekeningen en markeringen op videobeelden om een tactische boodschap te tonen.
Vaardigheid aanpassen
Een techniek afstemmen op wat tegenstander, ruimte en moment toelaten, tegenover een techniek aanleren door herhaling.
Begeleide ontdekking
De coach legt een probleem voor en stuurt met vragen en regels, zonder de oplossing voor te zeggen.
Differentieel leren
Oefenen met bewust ongewone variaties, zoals een andere ondergrond, een andere bal of beperkt zicht, zodat spelers nieuwe oplossingen zoeken.
Informatie in lagen
Een complexe taak stap voor stap aanbrengen, rol per rol of linie per linie.
Nabespreking
Een korte, gestructureerde terugblik met de spelers: vragen, laten tonen, samenvatten.
Reproductieve en productieve stijl
Reproductief: spelers voeren uit wat de coach bedacht. Productief: spelers zoeken zelf een oplossing voor een probleem dat de coach voorlegt.
Fysiek en belasting
Spiercontractie
De dominante spierbelasting van een trainingsdag: kracht (veel versnellen, afremmen en duels), duur (wedstrijdachtige inspanning) of snelheid (snel beslissen en uitvoeren). Ze volgt uit de spelvorm, niet uit losse conditietraining.
Versnellingen en afremmingen (ACC/DEC)
Versnellen en afremmen, vaak met een richtingsverandering. Kleine ruimtes en duels geven er veel.
Plafondeffect van kleine vormen
Kleine spelvormen geven veel versnellingen en duels, maar halen de topsnelheid en het hoge looptempo van de wedstrijd niet. Daarvoor zijn een groot veld of aparte sprintprikkels nodig.
Superkompensatie
Na belasting en vermoeidheid herstelt het lichaam tot boven het beginniveau. Het is de basis van de klassieke periodisering.
Sessiebelasting (sRPE)
De ervaren zwaarte van een training volgens de speler, vermenigvuldigd met het aantal minuten: een eenvoudige maat voor de belasting per training en per week.
Sessie-RPE
Hoe zwaar een hele training aanvoelt, op dezelfde schaal van 1 tot 10 als de RPE van een oefening. Na de training geeft de speler ze; bij het plannen is ze het doel voor de dag.
Load
De geplande belasting van een oefening: de zwaarte die de coach verwacht, maal de werkminuten (werkduur maal herhalingen maal series). Rust en wissels tellen niet mee. De load van een training is de som van haar oefeningen.
Trainingload
De load van een hele training: de som van de load van haar oefeningen (geplande RPE × werkminuten). Bij elke MD-dag hoort een richtlijn: de sessie-RPE van die dag × de werkminuten van de training.
RPE
Hoe zwaar een inspanning aanvoelt, op een schaal van 1 (zeer licht) tot 10 (maximaal). Bij een oefening plan je de RPE die je verwacht.
RAMP-opwarming
Een opwarming in vier stappen: de temperatuur verhogen (raise), spieren activeren en gewrichten mobiliseren (activate, mobilise) en opbouwen naar de intensiteit van de training (potentiate).
Pre-training
Een blok vóór de groepstraining dat het lichaam voorbereidt (mobiliteit, stabiliteit, kracht, coördinatie) en blessures helpt voorkomen.
Wendbaarheid
Snel van richting of tempo veranderen als reactie op wat er gebeurt, meestal een tegenstander. Een vooraf geplande richtingsverandering, zoals in een kegelparcours, is een andere vaardigheid.
Sprongtraining
Sprongen en huppen waarbij de spier eerst kort rekt en meteen krachtig samentrekt. Ze maken een speler explosiever als het volume beperkt blijft en de landing goed is.
Externe en interne belasting
Extern: wat de speler doet, zoals afstand en versnellingen. Intern: hoe zijn lichaam erop reageert, zoals hartslag en ervaren inspanning.
Monotonie
Hoe weinig de belasting van dag tot dag verschilt; een week met weinig afwisseling tussen zwaar en licht is monotoon.
Gebogen sprint
Een sprint in een bocht, zoals de meeste sprints in een wedstrijd.
Klaar zijn (voor een niveau)
De eisen van je eigen niveau aankunnen en die van het volgende geleidelijk overbruggen.
Periodisering
MD-dag
Een trainingsdag benoemd naar de afstand tot de wedstrijd (MD, match day): MD min het aantal dagen ervoor, MD plus het aantal dagen erna.
Acquisitiedag
Een trainingsdag waarop spelers het game model verwerven en het meest belast worden: in de morfocyclus de kracht-, duur- en snelheidsdag.
Horizontale afwisseling
Van dag tot dag wisselen het principeniveau en de dominante spierbelasting, zodat geen enkel systeem overbelast raakt.
Prestatiestabilisatie
Elke week heeft dezelfde opbouw, zodat de ploeg wekelijks stabiel presteert in plaats van te pieken en te zakken.
Taperen
Het trainingsvolume afbouwen vóór een belangrijke wedstrijd of piekmoment, met behoud van intensiteit.
Macro-, meso- en microcyclus
De klassieke indeling van een seizoen: de macrocyclus (voorbereiding, competitie, overgang), mesocycli van enkele weken en microcycli van enkele dagen.
Blokperiodisering
Fysieke kwaliteiten trainen in opeenvolgende, geconcentreerde blokken: accumulatie, transmutatie en realisatie.
Drukke week
Een week met twee of meer wedstrijden. Herstel en activatie gaan dan voor op acquisitie.
Mentaal
Intensiteit als concentratie
In de tactische periodisering betekent intensiteit vooral de concentratie die een oefening vraagt, niet enkel de fysieke inspanning. Ook dat vermoeit.
Klimaat van meesterschap
Een sfeer waarin succes betekent: inzet, vooruitgang en plezier, niet enkel winnen of beter zijn dan een ander.
Gedeeld leiderschap
Leiderschap verdeeld over meerdere spelers volgens vier rollen: taak, motivatie, sociaal en extern.