Begrippen van een game model

173 begrippen die trainers gebruiken om een game model te beschrijven. Elk woord heeft één betekenis, zodat spelers en staf dezelfde taal spreken. Wat elke coach zelf kiest, staat er apart bij.

Bijgewerkt op 1 november 2026.

Het model

Game model

Het geheel van filosofie, kernideeën en principes dat beschrijft hoe een ploeg in elke fase wil spelen. Een werkinstrument dat meegroeit, nooit af.

Ook: spelmodel

Let op: Niet hetzelfde als een spelsysteem (4-3-3, 3-5-2): dezelfde principes kunnen in verschillende systemen.

Filosofie

Wat een ploeg wil zijn, met en zonder bal, en waarom. Het vertrekpunt van het model: kernideeën en principes volgen eruit.

Ook: spelidee, spelfilosofie

Let op: Geen opsomming van principes.

Kernidee

Een korte, vaste gedachte die over alle fases heen geldt en waaruit principes in meer dan één fase volgen. Bijvoorbeeld: „Eerst vooruit verdedigen, daarna organiseren.”

Fase

Een van de zes fases van het model: balbezit (B+), balverlies (B−), omschakeling naar aanval (B−→B+), omschakeling naar verdediging (B+→B−), stilstaande fases voor (SF+) en stilstaande fases tegen (SF−).

Ook: spelmoment

Let op: Enkel voor deze zes. Opbouw, progressie en afwerking zijn geen fases.

Hoofdprincipe

Een collectief gedragspatroon van de hele ploeg in één fase. Het geeft de ploeg haar identiteit en verandert niet per tegenstander.

Ook: principe, algemeen principe, teamprincipe

Subprincipe

De uitwerking van een hoofdprincipe voor een linie, twee linies of een groep spelers, soms in een bepaalde zone.

Ook: specifiek principe, linieprincipe

Gedragsregel

Wat een individuele speler doet binnen een subprincipe en een hoofdprincipe.

Ook: sub-subprincipe, regel, representatief principe, individueel principe

Coachingswoord

Een kort, vast woord of zinnetje waarmee de coach op het veld een gedragsregel oproept.

Ook: coachingstaal

Schalen van het team

Wie een principe uitvoert: de hele ploeg, twee linies, één linie, een groep spelers dicht bij elkaar, of één speler.

Ook: niveaus van samenwerking, ploegdeel

Game plan

De tactische bedoelingen voor één wedstrijd, afgestemd op de tegenstander.

Ook: wedstrijdplan

Spelsysteem

De basisverdeling van de spelers over het veld. Binnen een fase mag de vorm veranderen, zolang de principes kloppen.

Ook: systeem, formatie

Zelf te kiezen: Vanuit welk systeem speel je, en verandert de vorm in een fase?

Zelforganisatie

Het vermogen van een ploeg om zich in een fase snel en zonder aanwijzing van de bank te organiseren. Het game model geeft de afspraken waarmee dat lukt.

Ook: self-organization

Orde en wanorde

Het spel wisselt voortdurend tussen georganiseerde en ongeorganiseerde momenten. Wie zich het snelst opnieuw organiseert, of het snelst toeslaat tegen een ploeg in wanorde, heeft het voordeel.

Ook: disbalans, organisatie en desorganisatie

Spelbedoeling

Wat een ploeg op een bepaald moment wil bereiken: met de bal veiligstellen, opbouwen en vooruit spelen, kansen maken en afwerken; zonder de bal het doel beschermen, de ruimte afsluiten, druk zetten en heroveren.

Aanvaller 1 en 2, verdediger 1 en 2 (A1, A2, V1, V2)

De speler met de bal is de eerste aanvaller, de aanvallers zonder bal zijn de tweede aanvallers; de verdediger die de baldrager aanpakt is de eerste verdediger, wie dekt of ruimte bewaakt de tweede.

Veld en zones

Veldindeling

Vijf stroken van doel tot doel (flank, halfspace, centrum, halfspace, flank) en drie zones van zijlijn tot zijlijn (opbouwzone, middenzone, aanvalszone). Zones hebben een naam, geen nummer.

Ook: kanalen, corridors, derdes

Halfspace (HF)

De strook tussen het centrum en de flank, één aan elke kant. In balbezit zoek je er ruimte met opties naar binnen en naar buiten; in balverlies sluit je ze af.

Ook: halve ruimte, half space

Hoort bij: balbezit, balverlies

Zone 14

De naam voor de centrale zone net vóór de zestien, tussen de linies van de tegenstander. Van hieruit komt het meeste doelgevaar.

Ook: gevarenzone

Hoort bij: balbezit

Let op: Een naam, geen nummer uit een veldindeling.

Waarheidszone

De laatste zone vóór doel: aanvallend waar je kansen maakt, verdedigend waar je ze verhindert.

Ook: aanvalszone, aanvallend derde

Hoort bij: balbezit, balverlies

Tussen de linies

De ruimte tussen twee linies van de tegenstander, waar een speler aanspeelbaar is achter de voorste linie.

Ook: between the lines

Hoort bij: balbezit

Assistzone

De zak naast de zestien, van de achterlijn tot de rand van het strafschopgebied. Daar moet de subtiele eindpas aankomen; van daaruit vertrekt de assist.

Hoort bij: balbezit

Vertrekzone

De zone vóór de rand van de zestien waar de subtiele eindpas richting de assistzone vertrekt.

Hoort bij: balbezit

Eerste en tweede zone

De zones vóór doel waar een voorzet aankomt: de eerste zone aan de eerste paal, voor een harde, lage bal; de tweede zone verder, richting de tweede paal, voor een chip of een verre bal.

Ook: eerste paal, tweede paal

Hoort bij: balbezit, stilstaande fases voor

Zwakke kant

De balverre kant van het eigen blok.

Ook: balverre kant

Hoort bij: balverlies

Zwakke zone

Een zone van de tegenstander die je aanvalt omdat hij daar kwetsbaar is.

Hoort bij: balbezit

Balzone

Het gebied rond de bal, waar de ploeg overtal, druk en compactheid organiseert.

Ook: balkant, drukzone

Hoort bij: balbezit, balverlies, omschakeling naar verdediging

Balbezit

Restverdediging

De spelers die in balbezit achter de bal blijven om bij balverlies de tegenaanval op te vangen.

Ook: rest defence, balans achter de bal

Hoort bij: balbezit, omschakeling naar verdediging, stilstaande fases voor

Zelf te kiezen: Hoeveel spelers blijven achter de bal, en wie?

Structurele restverdediging

De vaste bezetting achter de bal tijdens balbezit. Een speler sluit pas aan als er genoeg dekking achter de bal blijft.

Ook: balans

Hoort bij: balbezit

Dynamische restverdediging

Wanneer de bal van kant verandert, kunnen andere spelers in de restverdediging zakken, en kunnen anderen dan hoger meedoen in balbezit.

Hoort bij: balbezit, stilstaande fases voor

Offensive marking

Positie kiezen in balbezit door de spelers die niet rechtstreeks betrokken zijn bij de eerste combinatie: zo dat ze bij balverlies heel snel hun dichtste tegenstander kunnen dekken, en toch aanspeelbaar blijven.

Ook: offensieve marking

Hoort bij: balbezit

Let op: Druk op de bal ná balverlies is counterpress, geen offensive marking.

Derde man

Een combinatie waarbij de bal via een tussenspeler bij een derde speler komt die buiten de druk vrijloopt. De derde man start zijn loop op het moment van de eerste pas.

Ook: derdemansprincipe, third man

Hoort bij: balbezit, omschakeling naar aanval

Vrije man

Een speler die de bal kan ontvangen zonder directe druk, vaak achter de eerste druklijn, en meteen vooruit kan.

Ook: free man

Hoort bij: balbezit, omschakeling naar aanval

Let op: De vrije zone is de ruimte, de vrije man de speler.

Aanspeelbaarheid

Iedereen stelt zich zo op dat hij binnen hoogstens drie passen aanspeelbaar is.

Hoort bij: balbezit

Positionele superioriteit

Voordeel door waar spelers staan: elke zone heeft een functie en een bezetting, en spelers bewegen functioneel binnen die structuur.

Ook: positioneel overwicht

Hoort bij: balbezit

Numerieke superioriteit

Meer spelers dan de tegenstander rond de bal.

Ook: overtal, +1

Hoort bij: balbezit

Zelf te kiezen: Speelt je keeper mee als extra speler in de opbouw?

Circulatie en progressie

Circulatie: de bal zij- of achterwaarts laten rondgaan om het blok te verplaatsen. Progressie: de bal vooruit brengen door een linie te breken.

Ook: balcirculatie, progressief balbezit

Hoort bij: balbezit

Zelf te kiezen: Wat gaat voor: eerst vooruit, of eerst circuleren?

Linie breken

Met een pas of een loopactie voorbij een linie van de tegenstander komen.

Ook: lijnbrekende pas

Hoort bij: balbezit

Verticaliteit

Voorkeur voor de voorwaartse, diepe oplossing boven breed of achteruit spelen.

Ook: diep kijken

Hoort bij: balbezit, omschakeling naar aanval

Spel verleggen

De bal naar de andere kant van het veld brengen, vaak met een lange diagonale bal.

Ook: flankwissel, switch

Hoort bij: balbezit, omschakeling naar aanval

Overlap en underlap

Een speler loopt buitenom (overlap) of binnendoor (underlap) voorbij de baldrager.

Hoort bij: balbezit

Eén-twee

Kaatsen met één medespeler en doorlopen om de bal terug te krijgen.

Ook: dubbelpas, give and go

Hoort bij: balbezit

Steunhoek

De positie van een ondersteunende speler tegenover de baldrager, zo dat die een pashoek heeft.

Ook: steunpositie

Hoort bij: balbezit

Scannen

Rondkijken vóór de balontvangst om ruimte, medespelers en tegenstanders in te schatten.

Ook: actief kijken

Open lichaamshouding

Bij de ontvangst zo gedraaid staan dat je voor- en achterwaarts ziet en meteen vooruit kunt.

Ook: ingedraaid staan, halfopen

Hoort bij: balbezit

Wegdraaien

Met een tegenstander in de rug de bal aannemen, afschermen en wegdraaien richting doel.

Ook: offensive turning, draaien met een man in de rug

Hoort bij: balbezit

Lokken

De tegenstander bewust naar de bal of naar één kant trekken om elders ruimte of een vrije man te maken.

Ook: druk lokken, uitlokken, lokloop

Hoort bij: balbezit, balverlies

Cutback

Een lage, harde teruggelegde bal vanaf de achterlijn of de hoek van de zestien naar opkomende medespelers.

Ook: terugleggen, teruggelegde bal, 45, forty-five

Hoort bij: balbezit

Subtiele eindpas

Een getimede pas in de rug van de verdedigers naar een lopende medespeler: laag, gechipt of na een schijnbeweging.

Ook: subtiele dieptepas, steekpas, eindpas

Hoort bij: balbezit

Veld groot maken

In balbezit maximale breedte en diepte houden, zodat de tegenstander in de breedte en in de lengte moet verdedigen.

Ook: breedte en diepte, het veld rekken

Hoort bij: balbezit

Vooractie

Een korte beweging vóór de eigenlijke loop of aanname, om de verdediger één kant op te lokken.

Ook: tegenbeweging, schijnbeweging zonder bal

Hoort bij: balbezit, stilstaande fases voor

Rotatie

Spelers wisselen tijdelijk van positie om vrij te komen of ruimte te maken. De wissel is leesbaar voor medespelers en heeft een doel.

Ook: positiewissel

Hoort bij: balbezit

Zelf te kiezen: Welke rotaties wil je, en wie bewaakt intussen de restverdediging?

Dieptepas

Een pas in de ruimte achter de verdediging, naar een medespeler die al loopt: hard genoeg dat de verdediger er niet bij kan, zacht genoeg dat de ontvanger hem meeneemt.

Ook: steekpas

Hoort bij: balbezit, omschakeling naar aanval

Rond, door of over

De drie manieren om voorbij een linie van de tegenstander te komen: eromheen, erdoor of eroverheen spelen.

Hoort bij: balbezit

Aanbieden

Een bewuste actie vóór de pas om aanspeelbaar te worden: een signaal, een andere lichaamshouding of een loopactie.

Hoort bij: balbezit

Beweging om te ontvangen

De loopactie vóór een speler de bal krijgt, benoemd naar waar hij ontvangt (vóór de eerste linie, tussen twee linies, in de rug van de laatste linie) en naar de richting (van binnen naar buiten het blok of omgekeerd).

Hoort bij: balbezit

Komen en gaan

Eerst kort naar het eigen doel bewegen, dan in één vloeiende beweging draaien en in de rug van de laatste linie lopen.

Hoort bij: balbezit

De lijn terugduwen

Een diepe loop die een verdediger meeneemt, zodat de laatste linie zakt en er vóór die linie ruimte ontstaat.

Ook: pushing the line

Hoort bij: balbezit

Balprogressie

Met de bal aan de voet bewust een of meer tegenstanders voorbijgaan, in de ruimte of rechtstreeks voorbij een tegenstander.

Ook: opdribbelen, inschuiven met de bal

Hoort bij: balbezit

Balverlies

Vooruit verdedigen

De ruimte vóór je verdedigen: druk zetten voor de tegenstander kan draaien. Terugvallen is een bewuste keuze, geen automatisme.

Hoort bij: balverlies, omschakeling naar verdediging

Hoog blok

Het blok staat in het derde van de tegenstander; de eerste druklijn zet druk op zijn opbouw.

Ook: hoge pressing, high block

Hoort bij: balverlies

Zelf te kiezen: Welke blokhoogtes speel je, en wanneer kies je welke?

Middenblok

Het blok staat in het middelste derde; de eerste druklijn rond de middellijn.

Ook: mid-block

Hoort bij: balverlies

Laag blok

Het blok staat in het eigen derde, dicht bij de eigen zestien, met de linies samengevoegd.

Ook: low block

Hoort bij: balverlies

Central trap

Een pressingval: de centrale aanspeellijn bewust open laten, de tegenstander naar binnen lokken en toeslaan zodra de bal centraal aankomt.

Ook: centrale val, inside press

Hoort bij: balverlies

Zelf te kiezen: Bij welke blokhoogte zet je de central trap?

Flank trap

Het centrum sluiten, de tegenstander naar de flank sturen en daar samen de druk versnellen. De zijlijn werkt als extra verdediger.

Ook: flankval

Hoort bij: balverlies

Zelf te kiezen: Bij welke blokhoogte zet je de flank trap?

Naar buiten dwingen

De tegenstander met je lichaamshouding naar de zijlijn of achteruit sturen, zonder frontaal duel.

Ook: sturen

Hoort bij: balverlies, omschakeling naar verdediging

Compact blok

De ploeg verdedigt als één eenheid met kleine onderlinge afstanden, in de breedte en in de diepte.

Ook: compactheid, teamblok, blok

Hoort bij: balverlies, omschakeling naar verdediging

Let op: „Blok” betekent ook blokkeren bij stilstaande fases; de context maakt het duidelijk.

Zelf te kiezen: Welke afstanden houd je tussen de linies en tussen de spelers?

Schuiven en kantelen

Het blok beweegt als één geheel mee naar de balkant.

Ook: meeschuiven

Hoort bij: balverlies

Knijpen

De buitenste speler aan de balverre kant schuift naar het centrum, met behoud van de onderlinge afstanden.

Ook: inschuiven

Hoort bij: balverlies

Rugdekking

Een tweede speler dekt de ruimte achter de speler die druk zet.

Ook: afdekken, onderlinge dekking

Hoort bij: balverlies, omschakeling naar verdediging

Doordekken

Een tegenstander volgen tot buiten je eigen linie of zone.

Ook: man opnemen

Hoort bij: balverlies

Remmend wijken

Terugwijken zonder duel om tijd te winnen tot de dekking er is, vooral in ondertal.

Hoort bij: balverlies, omschakeling naar verdediging

Let op: Niet hetzelfde als vertragen: dat is het tempo van de eigen balcirculatie.

Pressingtrigger

Een signaal om samen druk te zetten: een slechte controle, een lange bal, een pas naar de flank, een tegenstander met de rug naar doel.

Ook: druksignaal

Hoort bij: balverlies, omschakeling naar verdediging

Gedekte en ongedekte bal

Gedekt: de baldrager staat onder druk of met de rug naar je doel; de verdediging schuift op. Ongedekt: hij staat vrij, kijkt naar je doel en er is ruimte achter je lijn; de verdediging zakt.

Ook: covered ball, uncovered ball

Hoort bij: balverlies

Split vision

Bal en directe tegenstander tegelijk in het blikveld houden.

Ook: halfopen staan

Hoort bij: balverlies, stilstaande fases tegen

Positieve en negatieve druk

Positieve druk: voorwaarts druk zetten. Negatieve druk: druk van een speler in de rug van de tegenstander, richting het eigen doel, om hem op te sluiten en onder druk te zetten.

Hoort bij: balverlies

Ondertal

Minder spelers dan de tegenstander in een zone of situatie.

Hoort bij: balverlies, omschakeling naar verdediging

Tijd winnen

Lukt heroveren niet meteen, dan houdt de ploeg de aanval van de tegenstander op, zodat ze zich kan organiseren.

Hoort bij: balverlies, omschakeling naar verdediging

Sluit de linie

Verlaat een speler zijn linie om druk te zetten, dan sluit de naaste ploegmaat meteen het gat, zodat de linie dicht blijft.

Hoort bij: balverlies

Druk verhogen

Op een signaal samen dichter en sneller op de bal en de pasopties komen, zodat de tegenstander geen tijd meer heeft.

Hoort bij: balverlies, omschakeling naar verdediging

Tussen man en doel

De verdediger staat tussen zijn man en het eigen doel, iets naar de balkant, zodat hij bal en man tegelijk ziet.

Ook: goal-side, ball-side

Hoort bij: balverlies, stilstaande fases tegen

Balans (verdedigend)

De verdediger die ver van de bal de ruimte aan de andere kant bewaakt, naast de drukzetter en de rugdekking.

Hoort bij: balverlies

Doorschuiven op de ontvanger

Al druk zetten op een speler voor hij de bal krijgt, omdat je de pas ziet aankomen.

Ook: pushing on

Hoort bij: balverlies

Directe en indirecte druk

Direct: een tegenstander betwist de bal. Indirect: een tegenstander stuurt de richting van de pas of de dribbel zonder de bal te betwisten, bv. door een paslijn af te sluiten. Zonder druk kan de baldrager alle kanten op.

Hoort bij: balverlies

Omschakelingen

Omschakeling

Het moment direct na balwinst of balverlies, zolang de tegenstander of de eigen ploeg nog niet georganiseerd staat.

Ook: transitie

Hoort bij: omschakeling naar aanval, omschakeling naar verdediging

Let op: Een counter is een keuze binnen de omschakeling, niet de omschakeling zelf.

Zelf te kiezen: Hoe snel wil je na balwinst tot een kans komen, en wanneer kies je voor veiligheid?

Counterpress

Na balverlies onmiddellijk en samen druk zetten op de bal, om hem dicht bij de plek van balverlies terug te winnen.

Ook: tegenpressing, gegenpressing, counterpressing, direct heroveren via druk

Hoort bij: omschakeling naar verdediging

Zelf te kiezen: Hoe lang zet je door vóór je terugvalt? In de bronnen: 5 à 6 seconden, of een eerste actie binnen 1 seconde.

Herstelsprint

Na balverlies via de kortste lijn terugsprinten naar de ruimte tussen bal en eigen doel.

Ook: fall back, terugvallen

Hoort bij: omschakeling naar verdediging

Vrije zone

Een ruimte zonder tegenstander, bijvoorbeeld achter de druklijn, tussen de linies of op de flank, die na balwinst aangevallen kan worden.

Hoort bij: omschakeling naar aanval

Heroveren of beheersen

De keuze na balverlies: meteen samen heroveren (counterpress) of eerst de organisatie herstellen.

Hoort bij: omschakeling naar verdediging

Zelf te kiezen: Wanneer kiest je ploeg na balverlies voor heroveren, en wanneer voor beheersen?

Versnellen of controleren

De keuze na balwinst: versnellen naar doel als de tegenstander uit balans is, of de bal veiligstellen en controleren als hij georganiseerd staat.

Hoort bij: omschakeling naar aanval

Zelf te kiezen: Wanneer versnelt je ploeg na balwinst, en wanneer controleert ze?

Tijdsregel bij omschakeling

Een afgesproken tijd waarin de ploeg na balverlies of balwinst een actie moet afronden, zoals heroveren of tot een kans komen.

Hoort bij: omschakeling naar verdediging, omschakeling naar aanval

Zelf te kiezen: Hoeveel seconden geef je je ploeg, na balverlies en na balwinst?

Losse bal

Een bal die geen van beide ploegen onder controle heeft: na een duel, een wegwerkbal, een afgeweerd schot, een blok of een slechte pas.

Stilstaande fases

Blok en screen

Een aanvaller zet zijn lichaam in de looplijn van een verdediger, zodat een medespeler vrijkomt. Vooral bij hoekschoppen en vrije trappen.

Ook: blokkeren, afblokken, scherm

Hoort bij: stilstaande fases voor, stilstaande fases tegen

Let op: „Blok” kan ook het teamblok zijn; de context maakt het duidelijk.

Mandekking

Een toegewezen tegenstander verdedigen: tussen hem en doel staan, voeling houden en zijn looplijn sturen.

Ook: man-marking

Hoort bij: stilstaande fases tegen, balverlies

Zonedekking

Een toegewezen ruimte verdedigen, met bal en tegenstander in één blikveld.

Ook: zoneverdediging, zonaal verdedigen

Hoort bij: stilstaande fases tegen, balverlies

Zelf te kiezen: Dek je bij stilstaande fases op man, op zone of gemengd?

Tweede bal

Een bal die vrijkomt na een duel, een kopbal, een blok of een afgeweerde bal.

Ook: afvallende bal

Hoort bij: stilstaande fases voor, stilstaande fases tegen

Stilstaande fase

Elke hervatting waarbij het spel stilligt: hoekschop, vrije trap, inworp, aftrap of doeltrap. SF+ als je ploeg hervat, SF− als de tegenstander hervat.

Ook: spelhervatting, standaardsituatie, set piece

Hoort bij: stilstaande fases voor, stilstaande fases tegen

Gemengde dekking

Zone- en mandekking samen, met afspraken over overgeven en overnemen.

Ook: hybride dekking

Hoort bij: stilstaande fases tegen, balverlies

Snel of opzet

De eerste keuze bij een eigen hervatting: meteen hervatten als de tegenstander niet georganiseerd is, anders de afgesproken opzet.

Hoort bij: stilstaande fases voor

Zelf te kiezen: Wanneer mag je ploeg snel hervatten?

Techniek

Aanname

De eerste balcontrole bij ontvangst, weg van de druk of vooruit, zodat de volgende actie meteen kan.

Ook: eerste aanraking, georiënteerde aanname, balcontrole

Hoort bij: balbezit, omschakeling naar aanval

Opendraaien

Bij of na de aanname naar het doel van de tegenstander draaien, zodat je het spel voor je hebt.

Hoort bij: balbezit, omschakeling naar aanval

Balbescherming

De bal met het lichaam afschermen en het contact gebruiken om tijd te winnen.

Ook: afschermen

Hoort bij: balbezit, omschakeling naar aanval

X-block

Een keeperstechniek wanneer een aanvaller alleen op hem afkomt: dicht bij de aanvaller een been opzij uitstrekken en het lichaam groot maken om het schot te blokken.

Speler en positie

Positieprofiel

Wat een speler op een positie moet kunnen in de principes van het eigen game model, in vier rubrieken: technisch, tactisch, fysiek en mentaal.

Ook: voetbalprofiel, profiel

Handelingsvaardigheid

Wat een speler in de wedstrijd doet om een gedragsregel uit te voeren: waarnemen, beslissen en uitvoeren, met of zonder bal.

Ook: handelingsgerichte vaardigheid, voetbalhandeling, decision making

Bewegingsvaardigheden

Hoe een speler beweegt, met en zonder bal: lopen, versnellen, afremmen, van richting veranderen, springen, landen en duelleren. Opgebouwd van algemeen (lopen, springen, de bal raken), over fundamenteel (houding, evenwicht, waarneming) tot specifiek (de bewegingen van een positie in een spelsituatie).

Ook: movement skills, BMS, FMS, SMS

Coördinatieve vermogens

Wat bepaalt hoe vlot een speler zijn bewegingen stuurt: koppelen (bewegingen vloeiend na elkaar), differentiëren (kracht en richting doseren), reageren, in evenwicht blijven en inhiberen (een ingezette beweging op het laatste moment afbreken en iets anders doen, bv. schijnen te trappen en naar binnen gaan).

Ook: koppelingsvermogen, differentiatievermogen, inhibitievermogen, reactievermogen

Executieve functies

De denkvaardigheden waarmee een speler informatie opneemt, verwerkt en omzet in een keuze: focus, waarneming, cognitieve flexibiliteit, inhibitie, werkgeheugen en creativiteit.

Ook: breinvaardigheden, spelintelligentie, zien, denken, spelen

Groeispurt

De periode van de snelste lengtegroei. Ze valt bij elke speler op een ander moment, bij meisjes gemiddeld vroeger dan bij jongens. Rond de groeispurt verandert wat een speler coördinatief en fysiek aankan.

Ook: PHV, peak height velocity, piekgroei

Ontwikkelings-, opleidings- en prestatieprofiel

Drie blikken op een jeugdspeler: het ontwikkelingsprofiel is waar hij nu staat (zijn sterke punten en werkpunten), het opleidingsprofiel is wat de opleiding op zijn leeftijd van hem vraagt, het prestatieprofiel is wat een positie in de eerste ploeg vraagt.

Ook: ontwikkelingsprofiel, opleidingsprofiel, prestatieprofiel

Persoonlijk actieplan (PAP)

Het plan voor één speler: welk werkpunt, hoe eraan gewerkt wordt, vanaf wanneer en tot wanneer, hoe vaak en hoe lang, wie het opvolgt en hoe de vooruitgang geëvalueerd wordt. Coach en speler maken het samen.

Ook: individueel actieplan, personal action plan

Spelbepaler

De speler die tempo en richting van het spel van zijn linie of ploeg bepaalt.

Hoort bij: balbezit

Zelf te kiezen: Hoeveel spelbepalers wil je, en op welke posities?

Meevoetballende keeper

Een keeper die meedoet in de opbouw als extra aanspeelpunt, en bij hoog verdedigen meeschuift om de dieptepas als eerste te bereiken.

Ook: sweeper-keeper, spelende keeper

Hoort bij: balbezit, balverlies

Laatbloeier

Een speler die later rijpt dan zijn leeftijdsgenoten en daardoor tijdelijk achterstand heeft in lengte, kracht of snelheid.

Vrij spel

Voetballen zonder trainer of vaste opdracht, met vrienden op straat of op een plein.

Uitkomen (keeper)

De keeper verlaat zijn positie om de tijd en ruimte van de ontvanger of de baldrager te verkleinen.

Ook: active engagement

Relatief leeftijdseffect

Het voordeel van spelers die vroeg in het selectiejaar geboren zijn tegenover hun jongere leeftijdsgenoten, bij selectie en speeltijd.

Ook: relative age effect

Dieptekaart

Per positie de spelers van de kern gerangschikt, om te zien waar de kern dun is.

Ook: depth chart

Training

Tactische periodisering

Een trainingsmethode waarin elke training het game model traint; de fysieke belasting volgt uit de tactische inhoud.

Ook: tactical periodization

Morfocyclus

De vaste weekstructuur tussen twee wedstrijden, waarin per dag het principeniveau, de ruimte, de duur en de belasting wisselen.

Ook: microcyclus, morphocycle

Profieltraining en posttraining

Een profieltraining is een training voor de spelers van één positie of profiel: ze vertrekt van wat het model van die positie vraagt en bouwt uit naar linie en team. Een posttraining is een kort blok na de gewone training voor enkele spelers, gekoppeld aan hun persoonlijk actieplan.

Ook: positietraining, individuele training, posttraining

Geïntegreerd en geïsoleerd trainen

Twee uiteinden van één lijn: geïntegreerd is de echte spelsituatie met medespelers, tegenstanders en keuzes; geïsoleerd is één vaardigheid apart, zonder tegenstander. Een goede reeks beweegt heen en terug tussen beide.

Ook: functioneel trainen, analytisch trainen

Progressie en regressie

Een oefening stap voor stap moeilijker maken (meer tegenstand, minder tijd of ruimte, meer keuzes) of eenvoudiger, zodat ze past bij wat de spelers aankunnen.

Ook: moeilijker maken, eenvoudiger maken

Hoofdrol- en bijrolspelers

In een spelsituatie de spelers om wie het draait (bv. flankaanvaller en flankverdediger) en de spelers die hen helpen (bv. spits en aanvallende middenvelder). Bij een oefening horen daarnaast het wat, waar en wanneer.

Ook: hoofdrolspelers, bijrolspelers

Voetbalspecifieke periodisering

Een methode die de voetbalconditie opbouwt in voetbalvormen: beter handelen, meer handelen, en dat langer volhouden.

Ook: voetbalperiodisering, periodisering van Verheijen

Rondo

Een balbezitsvorm in overtal in een kleine ruimte, zoals vier tegen twee, om aanname, steunhoek, circulatie, druk en omschakeling te trainen.

Positiespel

Een balbezitsvorm met vaste of verplichte zones, vaak met neutrale spelers, waarin de ploeg in balbezit de bal houdt en de tegenstander hem probeert te veroveren.

Ook: positional game

Kleine en grote spelvorm

Spelvormen op een verkleind veld met weinig spelers (klein) of op een groot veld met veel spelers (groot). De ruimte per speler en het aantal spelers sturen de belasting.

Ook: SSG, small-sided game, LSG, large-sided game, partijvorm

Transitiespel

Een spelvorm die balbezit, druk en omschakeling continu afwisselt, zodat beide omschakelingen vaak voorkomen.

Ook: omschakelingsvorm

Hoort bij: omschakeling naar verdediging, omschakeling naar aanval

Constraint

Een regel in een oefening die het gewenste gedrag vaker laat voorkomen: beperkte contacten, verplichte zones, een punt enkel na een bepaalde actie.

Ook: oefenregel, voorwaarde, beperking

Deterministische oefening

Een oefening waarin alles vastligt: geen tegenstander, geen keuze en geen omschakeling.

Ook: drill, patroonoefening

Gridding

Het veld in vakken of zones opdelen, zodat spelers situaties sneller herkennen en wat ze trainen makkelijker meenemen naar de wedstrijd.

Ook: vakkenindeling

Joker

Een speler die telkens met de ploeg in balbezit meespeelt en zo overtal maakt.

Ook: neutrale speler, floater

Spelen–oefenen–spelen

Een opbouw van een training: eerst een partijvorm, dan gericht oefenen, en opnieuw een partijvorm.

Globaal–analytisch–globaal

Zoals spelen–oefenen–spelen, met een middendeel dat één vaardigheid herhaalt, vaak zonder tegenstander.

Numerieke progressie

In één training opbouwen van kleine naar grotere aantallen spelers.

Uitvergroten

Een regel of vak dat één aspect van het spel vaker laat voorkomen, zoals een breed en ondiep vak voor breedte.

Spiraalcurriculum

Een leerlijn waarin dezelfde kernthema's elk jaar terugkomen, telkens moeilijker.

Doelbewust oefenen

Gericht oefenen op een eigen werkpunt, aan de rand van wat je kan, met feedback.

Ook: deliberate practice

Telestratie

Tekeningen en markeringen op videobeelden om een tactische boodschap te tonen.

Vaardigheid aanpassen

Een techniek afstemmen op wat tegenstander, ruimte en moment toelaten, tegenover een techniek aanleren door herhaling.

Ook: skill adaptation

Begeleide ontdekking

De coach legt een probleem voor en stuurt met vragen en regels, zonder de oplossing voor te zeggen.

Ook: guided discovery

Differentieel leren

Oefenen met bewust ongewone variaties, zoals een andere ondergrond, een andere bal of beperkt zicht, zodat spelers nieuwe oplossingen zoeken.

Informatie in lagen

Een complexe taak stap voor stap aanbrengen, rol per rol of linie per linie.

Nabespreking

Een korte, gestructureerde terugblik met de spelers: vragen, laten tonen, samenvatten.

Reproductieve en productieve stijl

Reproductief: spelers voeren uit wat de coach bedacht. Productief: spelers zoeken zelf een oplossing voor een probleem dat de coach voorlegt.

Fysiek en belasting

Spiercontractie

De dominante spierbelasting van een trainingsdag: kracht (veel versnellen, afremmen en duels), duur (wedstrijdachtige inspanning) of snelheid (snel beslissen en uitvoeren). Ze volgt uit de spelvorm, niet uit losse conditietraining.

Ook: tension, duration, velocity, kracht, duur en snelheid

Versnellingen en afremmingen (ACC/DEC)

Versnellen en afremmen, vaak met een richtingsverandering. Kleine ruimtes en duels geven er veel.

Ook: acceleraties en deceleraties

Plafondeffect van kleine vormen

Kleine spelvormen geven veel versnellingen en duels, maar halen de topsnelheid en het hoge looptempo van de wedstrijd niet. Daarvoor zijn een groot veld of aparte sprintprikkels nodig.

Ook: plafondeffect

Superkompensatie

Na belasting en vermoeidheid herstelt het lichaam tot boven het beginniveau. Het is de basis van de klassieke periodisering.

Sessiebelasting (sRPE)

De ervaren zwaarte van een training volgens de speler, vermenigvuldigd met het aantal minuten: een eenvoudige maat voor de belasting per training en per week.

Ook: session-RPE, trainingsbelasting

Sessie-RPE

Hoe zwaar een hele training aanvoelt, op dezelfde schaal van 1 tot 10 als de RPE van een oefening. Na de training geeft de speler ze; bij het plannen is ze het doel voor de dag.

Ook: session-RPE, RPE-doel van de dag

Load

De geplande belasting van een oefening: de zwaarte die de coach verwacht, maal de werkminuten (werkduur maal herhalingen maal series). Rust en wissels tellen niet mee. De load van een training is de som van haar oefeningen.

Ook: geplande load, werkload

Trainingload

De load van een hele training: de som van de load van haar oefeningen (geplande RPE × werkminuten). Bij elke MD-dag hoort een richtlijn: de sessie-RPE van die dag × de werkminuten van de training.

Ook: totale load

RPE

Hoe zwaar een inspanning aanvoelt, op een schaal van 1 (zeer licht) tot 10 (maximaal). Bij een oefening plan je de RPE die je verwacht.

Ook: RPE-score

RAMP-opwarming

Een opwarming in vier stappen: de temperatuur verhogen (raise), spieren activeren en gewrichten mobiliseren (activate, mobilise) en opbouwen naar de intensiteit van de training (potentiate).

Pre-training

Een blok vóór de groepstraining dat het lichaam voorbereidt (mobiliteit, stabiliteit, kracht, coördinatie) en blessures helpt voorkomen.

Ook: prehab, preventieblok

Wendbaarheid

Snel van richting of tempo veranderen als reactie op wat er gebeurt, meestal een tegenstander. Een vooraf geplande richtingsverandering, zoals in een kegelparcours, is een andere vaardigheid.

Ook: agility, reactieve wendbaarheid

Sprongtraining

Sprongen en huppen waarbij de spier eerst kort rekt en meteen krachtig samentrekt. Ze maken een speler explosiever als het volume beperkt blijft en de landing goed is.

Ook: plyometrie, plyometrics

Externe en interne belasting

Extern: wat de speler doet, zoals afstand en versnellingen. Intern: hoe zijn lichaam erop reageert, zoals hartslag en ervaren inspanning.

Monotonie

Hoe weinig de belasting van dag tot dag verschilt; een week met weinig afwisseling tussen zwaar en licht is monotoon.

Gebogen sprint

Een sprint in een bocht, zoals de meeste sprints in een wedstrijd.

Klaar zijn (voor een niveau)

De eisen van je eigen niveau aankunnen en die van het volgende geleidelijk overbruggen.

Ook: readiness

Periodisering

MD-dag

Een trainingsdag benoemd naar de afstand tot de wedstrijd (MD, match day): MD min het aantal dagen ervoor, MD plus het aantal dagen erna.

Ook: match day, MD-1, MD+1

Acquisitiedag

Een trainingsdag waarop spelers het game model verwerven en het meest belast worden: in de morfocyclus de kracht-, duur- en snelheidsdag.

Ook: acquisition day, ontwikkeldag

Horizontale afwisseling

Van dag tot dag wisselen het principeniveau en de dominante spierbelasting, zodat geen enkel systeem overbelast raakt.

Ook: horizontal alternation

Prestatiestabilisatie

Elke week heeft dezelfde opbouw, zodat de ploeg wekelijks stabiel presteert in plaats van te pieken en te zakken.

Ook: performance stabilization

Taperen

Het trainingsvolume afbouwen vóór een belangrijke wedstrijd of piekmoment, met behoud van intensiteit.

Ook: tapering, taper, afbouwen

Macro-, meso- en microcyclus

De klassieke indeling van een seizoen: de macrocyclus (voorbereiding, competitie, overgang), mesocycli van enkele weken en microcycli van enkele dagen.

Blokperiodisering

Fysieke kwaliteiten trainen in opeenvolgende, geconcentreerde blokken: accumulatie, transmutatie en realisatie.

Ook: block periodization

Drukke week

Een week met twee of meer wedstrijden. Herstel en activatie gaan dan voor op acquisitie.

Ook: congested fixtures, Engelse week

Mentaal

Intensiteit als concentratie

In de tactische periodisering betekent intensiteit vooral de concentratie die een oefening vraagt, niet enkel de fysieke inspanning. Ook dat vermoeit.

Ook: tactische vermoeidheid, cognitieve belasting

Klimaat van meesterschap

Een sfeer waarin succes betekent: inzet, vooruitgang en plezier, niet enkel winnen of beter zijn dan een ander.

Ook: mastery climate, taakgericht klimaat

Gedeeld leiderschap

Leiderschap verdeeld over meerdere spelers volgens vier rollen: taak, motivatie, sociaal en extern.