Een goed game model schrijven
59 criteria om een game model uit te schrijven of na te kijken, met zwakke en betere voorbeelden. Ze zeggen niet wat je moet spelen: dat kiest elke coach zelf. Ze zeggen wel wanneer een tekst duidelijk, volledig en samenhangend is.
Filosofie en kernideeën
Wat en waarom
De filosofie zegt in een paar zinnen wat de ploeg wil zijn, met en zonder bal, en waarom dat bij deze spelers en dit niveau past.
Zwak
We willen mooi en offensief voetbal spelen.
Beter
We willen de bal, omdat onze spelers het spel kunnen maken: we lokken de tegenstander uit en spelen vooruit zodra het kan. Verliezen we hem, dan willen we hem meteen terug.
Geen lijst van principes
De filosofie is geen opsomming van principes en geen systeem. Wat bij één fase hoort, staat in die fase.
Kernidee: kort en over de fases heen
Een kernidee is één korte zin die in meer dan één fase terugkomt. Geldt een idee maar in één fase, dan is het een hoofdprincipe van die fase.
Zwak
In balbezit spelen we via de flanken.
Beter
Eerst vooruit kijken, dan pas breed.
Terug te vinden in de fases
Elk kernidee komt terug in principes of gedragsregels van minstens twee fases. Komt het nergens terug, dan is het een slogan.
Weinig en gekend
Een handvol kernideeën die elke speler kan opzeggen, werkt beter dan een lange lijst.
Vertrekt van de spelers en de club
Een filosofie houdt rekening met de kwaliteiten, de leeftijd en het niveau van de spelers, met de club en haar cultuur, en met de tijd en de staf die er zijn. Anders blijft ze op papier.
- Welke kwaliteiten hebben je spelers, en hoeveel trainingen heb je per week?
Zwak
Hoog drukken met een ploeg die dat fysiek en tactisch nog niet aankan.
Beter
Het blok kiezen dat bij de spelers past, en hoger gaan drukken zodra het compact aansluiten lukt.
Hoofdprincipe
Een doel in één fase
Een hoofdprincipe zegt wat de ploeg in één fase wil bereiken, niet wat één speler doet.
Zwak
De centrale verdediger speelt de bal in de voet van de middenvelder.
Beter
Verzorgd opbouwen van achteruit en de vrije man tussen de linies vinden.
Kort, met een zin uitleg
Een titel die spelers onthouden, met één of twee zinnen uitleg: wat we willen en waarom.
De fase gedekt, en nog te trainen
Samen dekken de hoofdprincipes de fase. Overlappen er twee, dan horen ze samen; bevat er één twee doelen, dan wordt het er twee.
Volgt uit de filosofie
Elk hoofdprincipe past bij de filosofie en de kernideeën. Gaat een principe ertegenin, dan moet een van beide wijken.
Waar op het veld
Geldt een hoofdprincipe niet overal even sterk, dan staat erbij waar het vooral of enkel geldt, en wat het daar betekent.
Te zien en te trainen
Een hoofdprincipe heeft minstens één bord dat de situatie toont, en oefeningen die eraan werken. Beelden van de eigen ploeg maken het sterker.
Subprincipe
Het hoe van het hoofdprincipe
Een subprincipe maakt het hoofdprincipe concreet: een deel van het antwoord op „hoe?”. Samen dekken ze het hoofdprincipe.
Zwak
Goed opbouwen.
Beter
Overtal creëren rond de bal in de opbouw.
Eén idee
Staat er „en” in een subprincipe, dan zijn het er vaak twee.
Een zin uitleg
Elk subprincipe krijgt één zin: wat het is, zodat een speler het ook zonder de trainer begrijpt.
Geen herhaling
Een subprincipe dat het hoofdprincipe in andere woorden herhaalt, voegt niets toe.
Gedragsregel
Wie, wat, wanneer
Een gedragsregel beschrijft wat één speler doet binnen het subprincipe en het hoofdprincipe: wie, wat en in welke situatie. Het onderwerp is één speler of één positie, nooit een groep: „de verdediging schuift door” is een subprincipe, „de rechtsback schuift door zodra de bal naar de linkerflank gaat” een gedragsregel.
Zwak
Goed aanspeelbaar zijn.
Beter
Krijgt de centrale verdediger de bal, dan zakt de 6 tussen de twee spitsen en toont zich schuin achter hen.
Waarneembaar
Na de actie kan de trainer zeggen: gelukt of niet. Woorden als „goed”, „slim” of „correct” zeggen niets.
Zegt wat wél moet
Een gedragsregel beschrijft wat de speler doet, niet wat hij moet vermijden. „Geen balverlies in de opbouw” zegt niet wat er moet gebeuren.
Zwak
Geen bal verliezen in de opbouw.
Beter
Hij speelt de bal naar de vrije man, weg van de druk.
Met een moment
Een goede gedragsregel noemt wat het gedrag start: een pas, een aanname, balverlies, een signaal van een medespeler.
Eén plek, één betekenis
Een gedragsregel staat bij het subprincipe waarvoor hij het meest zorgt. Gedrag dat overal terugkomt, zoals scannen of aanspeelbaar zijn, krijgt één vaste betekenis in plaats van telkens een nieuwe uitleg.
Intentie vóór uitkomst
Een gedragsregel zegt eerst wat de speler wil bereiken en dan het gevolg. Twee acties na elkaar, of een uitkomst zoals „hij wint de bal”, is geen gedragsregel.
Zwak
De naaste speler komt kort naar de bal en loopt daarna snel weg.
Beter
De naaste speler komt kort aanbieden om zijn tegenstander mee te lokken, zodat de ruimte achter hem vrijkomt.
Geldig waar hij staat
Een regel die maar op een deel van het veld of bij één blokhoogte klopt, zegt waar hij geldt, of beschrijft de logica erachter.
Zwak
De drukzetter dwingt de baldrager altijd naar buiten.
Beter
De drukzetter sluit één richting af en dwingt de baldrager naar de zone waar zijn ploegmaats dekken.
Coachingswoord
Kort en roepbaar
Eén tot drie woorden die je op het veld roept, zonder uitleg.
Zwak
Probeer je lichaam zo te draaien dat je het veld ziet.
Beter
Open!
Bij een gedragsregel
Elk coachingswoord lokt één gedrag uit en staat bij de gedragsregel die het oproept.
Eén taal
Een woord betekent overal hetzelfde, en de hele staf gebruikt het. Twee woorden voor één gedrag verwarren spelers.
Fases en zones
Een doel per fase
Elke fase heeft een doel in één zin dat spelers kunnen opzeggen.
Zwak
Balbezit: alles wat we met de bal doen.
Beter
Met de bal: de tegenstander doen lopen en vooruit spelen zodra het kan.
Alle zes fases
Ook de omschakelingen en de stilstaande fases hebben hoofdprincipes. Daar vallen veel doelpunten.
Per zone wat het betekent
Een principe dat vooral of enkel in één derde geldt, zegt wat het daar betekent. De naam van het derde volgt de fase: opbouwzone in balbezit, laag blok in balverlies.
Elke zone gedekt
In balbezit en balverlies heeft elk derde principes die er vooral gelden. Een lege zone is een vraag aan de coach waard.
Veldbezetting per fase
Het model toont hoe de ploeg staat in balbezit en in balverlies, en hoe ze van de ene vorm naar de andere gaat.
Eén veldindeling
De namen van zones en stroken zijn voor iedereen dezelfde en staan op één kaart.
Samenhang tussen de fases
Spiegelprincipes
Wat de ploeg met de bal wil, heeft vaak een tegenhanger zonder bal: opbouwen tegenover de opbouw beletten, diepte zoeken tegenover diepte opvangen, voorzetten tegenover voorzetten verdedigen. Ontbreekt een tegenhanger, dan is dat een vraag aan de coach, geen fout.
Restverdediging draagt de counterpress
Hoe de ploeg in balbezit achter de bal staat (restverdediging, offensive marking), bepaalt of counterpress na balverlies kan. De principes in balbezit en in de omschakeling naar verdediging dragen elkaar.
De omschakeling naar aanval begint zonder bal
Wie bij balbezit van de tegenstander hoog blijft of de diepte kan zoeken, bepaalt hoe snel de ploeg na balwinst vooruit kan.
Geen tegenspraak
Principes in verschillende fases spreken elkaar niet tegen. Hoog druk zetten en meteen terugvallen kunnen samen, als erbij staat wanneer wat geldt.
Dezelfde term, dezelfde betekenis
Een term betekent in elke fase hetzelfde. Wisselt de betekenis, dan zijn het meestal twee begrippen.
Let op: Niet voor elke term: „blok” is het teamblok (blokvorming), en bij stilstaande fases ook een blok of screen zetten. Maakt de context de betekenis duidelijk, dan is dat geen fout.
Positieprofiel
Vertrekt van het model
Een positieprofiel volgt uit de principes van het eigen game model en het spelsysteem: wat vraagt het model in elke fase van deze positie? Niet uit een algemene lijst.
Zwak
Snel, technisch sterk, goed overzicht.
Beter
Komt in balbezit in de halfspace in de rug van de middenvelder, en sluit bij balverlies meteen het centrum af.
Een punt is een handeling
Een technisch of tactisch punt zegt wat de speler in de wedstrijd doet, en wanneer. Een eigenschap zonder moment is geen punt.
Zwak
Goede balaanname.
Beter
Neemt de bal onder druk opengedraaid aan, met de eerste aanraking weg van de tegenstander.
Fysiek en mentaal dragen de handelingen
Fysieke en mentale punten volgen uit wat de positie doet: welke bewegingen en welke houding vragen haar handelingen? Zo blijven ze bij het model.
Zwak
Goede conditie. Sterk mentaal.
Beter
Versnelt na zijn actie en remt af om van richting te veranderen; blijft na balverlies gefocust op de omschakeling.
Alle fases, ook de omschakelingen
Een profiel beschrijft de positie in balbezit, in balverlies en in beide omschakelingen, niet enkel met de bal.
Zwak
Enkel punten over dribbelen, voorzetten en scoren.
Beter
Daarnaast: positie kiezen bij balverlies, druk zetten op de back van de tegenstander aan zijn kant, en meteen diep lopen na balwinst.
Gekoppeld tot op de gedragsregel
Waar het kan, hangt een punt aan de gedragsregel die het uitvoert; zo vind je later de oefeningen erbij. Fysiek en mentaal blijven vaak los, en dat is goed.
Werkpunt van een speler
Een werkpunt met een plan
Een werkpunt zegt wat, hoe, vanaf wanneer, hoe vaak en hoe lang, wie het opvolgt en hoe de vooruitgang beoordeeld wordt.
Zwak
Werken aan zijn rechter.
Beter
Voorzet met rechts na een actie buitenom: elke week een posttraining tot de winterstop, opvolging door de assistent, beoordeeld op beelden van de wedstrijd.
Keuzes die elke coach zelf maakt
Deze keuzes staan in geen enkele definitie: ze horen bij jouw ploeg. Een goed model beantwoordt ze.
Balbezit
- Hoe start de opbouw: met de doelman erbij, en met hoeveel spelers in de eerste lijn?
- Wanneer mag de bal lang?
- Hoeveel spelers blijven achter de bal, en in welke vorm?
- Wie houdt de breedte?
Balverlies
- Op welke hoogte staat het blok, en wanneer schuift het op of zakt het?
- Hoe compact: de afstand tussen de linies en tussen de spelers?
- Waar naartoe dwingen we de tegenstander: naar binnen of naar de flank?
- Man, zone of een mengvorm?
- Wat is het signaal om druk te zetten?
Omschakeling naar verdediging
- Hoe lang duurt de counterpress?
- Wie zet druk en wie valt terug?
- Tot waar valt de ploeg terug als er geen druk op de bal is?
Omschakeling naar aanval
- Eerst vooruit, of eerst de bal houden?
- Wie zoekt meteen de diepte?
Stilstaande fases voor
- Welke varianten per stilstaande fase, en wie neemt ze?
- Hoeveel spelers blijven achter voor de restverdediging?
Stilstaande fases tegen
- Zone, man of gemengd bij hoekschoppen en vrije trappen?
- Wie blijft voorin voor de omschakeling?
Voorzetten
- Hoeveel spelers komen in de zestien bij een voorzet, en in welke zones?
Specialiseren naar een positie
Bij jeugdspelers kiest de club wanneer spelers naar een positie of een profiel specialiseren; vóór de groeispurt breed opleiden is de gangbare lijn.
- Vanaf welke leeftijd specialiseren je spelers naar een vaste positie?
Bouwstenen van een volledig model
Spelfilosofie en kernideeën
Wat de ploeg wil zijn, en de handvol gedachten die over alle fases heen gelden.
Coachingsfilosofie, als de coach dat wil
Hoe de trainer werkt: met spelers als mens, met het team, in de training, tijdens de wedstrijd en met wie errond staat.
Veldindeling en veldbezetting
Eén kaart met de namen van zones en stroken, en de bezetting in balbezit en in balverlies.
Zes fases met een doel
Elke fase heeft een doel in één zin en hoofdprincipes.
Principes tot op spelersniveau
Hoofd- en subprincipes met een zin uitleg, gedragsregels met coachingswoorden.
Beeld bij elk hoofdprincipe
Een bord, en waar het kan een video van de eigen ploeg of een voorbeeld.
Oefeningen per principe
Elk hoofdprincipe heeft oefeningen, met de principes van beide ploegen erbij: wat de ene ploeg met de bal traint, traint de andere zonder.
Positieprofielen
Per positie en rol wat een speler technisch, tactisch, fysiek en mentaal moet kunnen, gekoppeld aan de principes.
Veelgemaakte fouten
Plaatshouders
Een vak met een opdracht in plaats van inhoud.
Zwak
Coachingswoord: nog in te vullen.
Beter
Coachingswoorden: Open! · Diep! · Knijp!
Gekopieerde lijsten
Dezelfde lijst staat bij elk principe, bijvoorbeeld mentale eigenschappen. Dan zegt ze over geen enkel principe iets.
Zwak
Focus, zelfvertrouwen, lef, discipline: bij elk hoofdprincipe.
Beter
Bij de opbouw: geduld. In de laatste zone: durf.
Een nummering die per fase wisselt
Zones of fases met een nummer dat in balbezit iets anders betekent dan in balverlies.
Zwak
Zones 1, 2 en 3, waarbij de nummers in balverlies omgekeerd lopen.
Beter
Vaste derdes (eigen, midden, tegenstander) met een naam per fase: opbouwzone, laag blok.
Een principe zonder moment
Er staat wat de ploeg doet, maar niet wanneer.
Zwak
We zetten druk.
Beter
Speelt hun centrale verdediger terug naar de doelman, dan schuift de spits door en sluit de pas naar de andere kant af.
Een term met twee betekenissen
Eén woord voor twee verschillende dingen, in verschillende fases of profielen.
Zwak
Offensive marking voor positie in balbezit én voor druk na balverlies.
Beter
Offensive marking is positie kiezen in balbezit door wie niet in de eerste combinatie betrokken is; druk na balverlies is counterpress.
Een principe als gedragsregel
Een gedragsregel die een doel van de ploeg beschrijft in plaats van wat één speler doet.
Zwak
Gedragsregel: we verdedigen compact.
Beter
Gedragsregel: gaat de bal naar de andere flank, dan schuift de verste flankverdediger naar binnen tot bij de centrale verdediger.
Cijfers in een definitie
Een definitie die de keuze van één model vastlegt.
Zwak
Counterpress: vijf seconden druk na balverlies.
Beter
Counterpress: meteen druk na balverlies, om de bal terug te winnen. Hoe lang, kiest de coach.
Een zone zonder uitleg
Een principe met een ster in een zone, zonder te zeggen wat het daar betekent.
Zwak
★ Aanvalszone, zonder meer.
Beter
Aanvalszone: hier zoeken we de subtiele eindpas naar de tweede paal.